De Vlaamse regering wil onderzoeken waar in Vlaanderen zogenaamde ‘parallelle gemeenschappen’ bestaan, onder meer in Beringen en Heusden-Zolder. Ik woon in Beringen en geef les in Heusden-Zolder. Wat de minister van Binnenlands Bestuur Hilde Crevits (CD&V) bedoelt, zie ik elke dag in de klas, maar ik zie ook wat er niet gezegd wordt.


In mijn klas zitten vooral kinderen met Turkse of Arabische roots, de meesten zijn hier geboren. Ze spreken Nederlands, voetballen in lokale clubs, zingen Sinterklaasliedjes en dromen van een toekomst in Vlaanderen. En toch worden ze minder snel beschouwd als “ene van hier”, zeker niet in vergelijking met Jan of An. Tijdens een lezing vroeg ik ooit: “Wanneer word je eigenlijk ene van hier?” Iemand antwoordde: “Dat kun je nooit worden.”

Die zin raakte me, want hij vat samen wat nog altijd leeft: je bent pas écht “van hier” als je dezelfde godsdienst, naam en gewoontes hebt. Wie daarvan afwijkt, blijft een gast, ook al is hij de derde generatie die hier leeft. Dat, meer dan taal of afkomst, is de diepste vorm van segregatie.

De ‘parallelle gemeenschappen’ zijn niet plots ontstaan. Ze zijn het gevolg van beleid dat mensen ooit samenbracht om economische redenen, en hen daarna vergat. Toen mijn ouders in de jaren zestig naar hier kwamen, woonden ze tussen Vlaamse gezinnen. De cité was een mengeling van talen en geuren. Pas later, toen families uit hetzelfde land zich hier vestigden, groeiden er herkenbare Turkse of Marokkaanse buurten. Niet uit afkeer, maar uit gewoonte, uit veiligheid. Niemand noemde dat toen “parallel”; het was gewoon gegroeid.

Ook vandaag zie ik op de speelplaats hoe kinderen spontaan in groepjes samenkomen, niet uit vijandigheid, maar uit herkenning. Leraren proberen die grenzen te doorbreken, maar botsen op hun limieten. Want wat we bij kinderen zien, geldt ook voor volwassenen: we leven naast elkaar, steeds minder mét elkaar. Dat ligt niet alleen aan mensen, maar aan structuren: aparte verenigingen, aparte cafés, aparte huwelijken.

Het is goed dat minister Crevits het probleem ernstig neemt, maar onderzoek alleen volstaat niet. Op het terrein hebben we nood aan middelen en vertrouwen, niet aan stigmatisering. De vraag is niet waar segregatie zit, maar waarom ze blijft bestaan, en wie daarvoor verantwoordelijkheid draagt. En vooral: wat wordt straks de maatstaf van dat onderzoek? De “Vlaming”? De “westerse manier van leven”? Of de mens die hier leeft, werkt en bijdraagt?

Wat het debat nog complexer maakt, is dat migranten niet alleen door Vlaanderen worden bekeken, maar ook door het land van herkomst. Turkije, Marokko en andere landen zien hun diaspora vaak als verlengstuk van hun eigen natie, wat de natuurlijke integratie belemmert en een dubbele identiteit in stand houdt. Wie tegelijk van hier én van daar moet zijn, verliest vanzelf een stuk van beide werelden.

We kunnen blijven onderzoeken en rapporteren, maar de kernvraag blijft: wanneer wordt iemand die hier geboren is, leeft en bijdraagt, eindelijk “ene van hier”?
Misschien begint het antwoord bij vertrouwen. Bij het loslaten van de reflex om afkomst te zien als enige identiteit. Bij het besef dat integratie geen plicht van één kant is, maar een wederzijdse beweging.

De muren waarover we vandaag spreken, zijn niet enkel fysiek of cultureel, maar psychologisch. Zolang mensen het gevoel hebben dat ze zich moeten bewijzen om erbij te horen, zal de brug altijd half af blijven. We kunnen die brug alleen samen bouwen: leraren, ouders, beleidsmakers, maar vooral burgers die durven zeggen: “Jij bent ook ene van hier.”

 

Bron: Het belang van Limburg